Veldtocht:
hfst. 10 - 11

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
X. HET FRIESCH BATAILLON VOOR!

Zondag den 7den Augustus 1831.


  Toen wij twee dagen later in het dorp Lummen kwamen zagen wij bijna geen levend wezen; iedereen vreesde zeker voor de vijandelijke troepen, van wie de mare reeds vooruit was gegaan dat zij het in Beringen zo gortig hadden gemaakt. Toen men echter zag hoe ordentelijk nu alles in zijn werk toeging, kwam ieder uit zijn schuilhoek te voorschijn en in eens waren de straten opgepropt met nieuwsgierigen, welke ons allen even vriendelijk groeteden. Ook de bewoner van de buitenplaats was afgeklommen van zijne hooge woning, om met zijne geheele familie ons te zien. Zoodra er een officier voorbij ging, groette mijnheer hem zeer beleefd en de damens maakten een zeer bevallige neiging. Over het algemeen viel de beleefdheid van Lummens inwoners ieder in het oog en vooral werden wij voor hen ingenomen en bleek ook hunne gedienstigheid, toen wij, per brug de Zwarte Beek over zullende trekken, het ongeluk hadden dat onze kruitkar door onvoorzichtigheid van den voerman, in het water viel. Ieder, zelfs de heer van de buitenplaats, was dadelijk gereed om ons te helpen en hoewel onze kruitkar eenige honderden ponden zwaar was, werd zij, zonder eenige schade aan de patronen te weeg gebragt te hebben, uit het water geholpen.
  Was ik zoo even getroffen geweest door alle die schoone natuurtooneelen welke het landschap achter Lummen opleverde, thans trof mij een gevoel van eenen anderen aard en dat niet zoo aangenaam op mij werkte, het was n.l. een hevig kanonvuur waarvan de grond dreunde. Plotseling kregen alle gezigten eene andere plooi, en een diepe stilte heerschte er onder al de gelederen. Niet ver was deze kanonnade van ons verwijderd. De reserve-divisie deed een laatsten uitval op de arme van den Generaal Daine, tengevolge waarvan deze op Hasselt en omstreken, vooral naar den kant van Herck retireerde. De luitenant ... kwam mij te paard op zijde en met een benaauwd gezigt vroeg hij mij: "Waar zou dat wel zijn?", zoodat ik mij niet weerhouden kon van lagchen, daar hij even van te voren nog zoo vrolijk met zijn paard mij voorbij galoppeerde, en gaarne wil ik bekennen dat deze kanonnade ook niet als een strelend muzijk op mijne ooren inwerkte. Na een half uur verflaauwde evenwel dit kanonvuur; nu en dan hoorden wij slechts een schot en eindelijk hield het geheel op. Na verloop van eenigen tijd kwam er een marechausse aanrennen en met de hoed in de lucht zwaaijende, riep hij: "Hasselt is ingenomen!" Deze tijding verhelderde in eens alle gezigten weder en werd met een algemeen "Hurrah!" ontvangen. De Generaal en vervolgens de Kroon Prins kwamen ons van achteren inrijden en verboden dat geroep, terwijl zij ons het diepste stilzwijgen oplegden. Ik verbeeldde mij ook uit hunne gelaatstrekken te kunnen opmaken, dat onze zaken nog niet z voordeelig stonden als wij wel dachten.
  Digt bij het klein onaanzienlijk dorpje Berbroek sloeg het grootst gedeelte van onze brigade rechts van den weg af, terwijl de Leijdsche studenten en de beide bataillons der 13de afdeeling ons naar het dorp volgden. De Leijdsche studenten bleven in het dorp, terwijl wij door het dorp heen, even buiten hetzelve, (wij rechts en de andere bataillons links van den weg), onze bivouakken opsloegen. Wij stelden onze geweren in rotten en zouden ons in de eerste plaats, na zulk een warmen en vermoeijenden marsch met een aangenaam middagslaapje verkwikken, maar deerlijk wierden wij in ons voornemen verhinderd. Naauwelijks hadden wij ons ter ruste nedergelegd, of er werd weder appl geslagen en wij ontvingen de tijding dat de vijanden slechts op een geringen afstand van ons waren verwijderd. Ieder moest dus zorgen maar schielijk wat te eten en zich niet te ver van het bivouak te verwijderen, om bij den eersten trommelslag present te zijn. Wij hadden dus eene leelijke misrekening gehad met te denken, dat wij tot aan Hasselt zouden oprukken, zonder vijanden te ontmoeten. Binnen weinige oogenblikken waren wij misschien reeds met hen handgemeen! Neen! dit was een Jobstijding! Wij mogten zoo dapper zijn als wij wilden, liefst trokken wij zoo vr mogelijk voort zonder vijanden te ontmoeten. Wij waren te veel overtuigd van de waarheid der spreuk, dat: waar gejakt wordt, ook spaanders vallen, dan dat wij naar dat oogenblik zouden verlangen. Het beeld van den gesneuvelden Beekmans zweefde ons nog gestadig voor de oogen en lag ons nog te versch in het geheugen.
  Inmiddels hadden de beide bataillons der 13de afdeeling reeds hunne bivouakken verlaten en het 2de bataillon was alvast met den vijand in en bij het dorp Kermpt handgemeen. Het tirailleur-vuur werd gestadig levendiger en kwam al nader en ander, waaruit wij konden opmaken dat de onzen retireerden. Een sectie artillerie kwam ook terug, na even in het vuur geweest te zijn en een paar paarden verloren te hebben, die onbruikbaar geschoten waren.
  Onder deze, voor ons geene gerustellende omstandigheden, kwam ineens de order: "het Friesch bataillon voor!" Het volk was nog gedeeltelijk aan het koken, gedeeltelijk aan het eten en allen hadden hunne ransels en patroontasschen afgehangen. De tamboers sloegen dadelijk een kort appl; de helft der manschappen was nog niet bij hunne geweren, toen de majoor reeds rechts uit de flank met rotten links liet maken, waardoor eene groote verwarring ontstond, die nog vermeerderd werd, toen wij, door eene sloot van ons bivouak op den weg gekomen zijnde, in sectin moesten opmarcheeren, hetgeen van dat gevolg was, dat de eerste sectie reeds een groot eind op weg was, toen de laatste sectie nog op het bivouak stonden en in een draf moesten loopen om de anderen in te halen. Het was een onvergeeflijke daad van den majoor, dat hij hier met zooveel overhaasting en niet met meer bedaardheid te werk ging. Gaat een chef met bedaardheid te werk, dit boezemt bij het volk vertrouwen en kalmen moed in, maar heeft het tegendeel plaats, dit veroorzaakt schrik en ontsteltenis door de gelederen. Wij geraakten toch eindelijk, na ons achter den adem geloopen te hebben, zoo goed en zoo kwaad het dan was, in een gesloten kolonne in den hollen - aan beide zijden met hooge begroeide wallen omzoomden weg, welke van Berbroek naar Kermpt gaat. Het zal omstreeks vijf uur geweest zijn. Wij passeerden de dragonders en huzaren, welke aan den weg in slagorde stonden geschaard. Ook zij waren reeds met den vijand handgemeen geweest; menig bebloede kop zag ik onder hen op het paard zitten, ook van hen waren reeds enkelen gesneuveld. Nu en dan kwamen ons reeds gedeelten van het 2de bataillon der 13de afdeeling tegen, welke het slagveld verlieten, en nu volgde een voor ons, die nooit in het vuur waren geweest, verschrikkelijk schouwspel, namelijk het zien van zoo veel gekwetsten.
  Hier zagen wij soldaten die geheel bebloed waren door hunne ontvangen wonden en nog even de kracht hadden behouden om zich langzaam voorwaarts te bewegen, daar zagen wij een paar welke door hunne kameraden op twee geweren werden gedragen, meer dood dan levend schenen en slechts flaauw hunne holle oogen hemelwaarts verhoeven, als smeekten zij van dr nog hulp af. Wat verder kwam er ons een tegen, door eenen anderen ondersteund, wien door een kogel de onderste oogcirkel was afgeschoten en wiens oog de oogholte was uitgevallen en op zijn wang neerhing en zoo kwamen er ons meer, de een ligt, de ander zwaar gekwetst tegen. Vervolgens zagen we een dood paard en eindelijk ook gesneuvelde militairen liggen, hetgeen voor ons, jonge krijgslieden, een ijselijk en verschrikkelijk gezigt was, waarvan de herinnering nimmer uit mijn geheugen zal gewischt worden.


XI. HET GEVECHT BIJ KERMPT.

  Ieder die ons tegen kwam vertelde ons, dat de vijand zeer magtig was. Ook een officier van de dragonders, dien ik kende vroeg ik hoe het er vr ons uitzag. - "Slecht!" antwoordde hij, "de vijand is talrijk, veel talrijker dan wij, wij kunnen het niet houden." Voorwaar, een slechte troost voor ons! Uitgezonderd een paar sectin, welke nog en tirailleur ageerden, was de 13de afdeeling teruggetrokken. Eindelijk geraakten wij onder het bereik van het vijandelijk vuur en onder een hagelbui van kogels hielden wij halt. De kogels vlogen ons echter allen over het hoofd, want wij stonden door den hollen weg goed gedekt, maar terwijl wij daar zoo stonden, ontstond er van voren eene hevige beweging. In eens maakten de voorsten "rechts omkeert!" en liepen ons, die achter waren omver. Dr lag ik met het grootst gedeelte mijner kompagnie tegen den grond! Men kan denken hoe de schrik mij overweldigde toen ik zoo plotseling den grond kustte en zoo menigen schutter met zijne gespijkerde straathanden mijn rug voelde beuken
  "Mijn God!" dacht ik, wat is daar te doen!" In dat angstig oogenblik dacht ik, dat de vijandelijke cavallerie een uitval op ons deed en dat onze schutters in overhaasting de vlugt namen; onherroepelijk waren wij dan verloren. In mijne verbeelding voelde ik reeds de hoeven der paarden en de armen en beenen met geduchte lange zwaarden van het ligchaam geslagen worden. Toen er eindelijk een oogenblik van stilstand kwam maakte ik van deze gunstige gelegenheid gebruik om op te staan; angstig zag ik rondom mij of ik ook vijandelijke cavallerie gewaar werd, maar neen, ik zag niets dan wolken van rook.
  Vele gissingen zijn er omtrent de reden van deze achterwaartsche beweging geweest, maar de ware oorzaak is onbekend gebleven. Sommigen zeiden dat de brigade-kommandant een kommando had gedaan dat door onzen majoor verkeerd verstaan zoude zijn; deze kommandeerde daarop 'rechts-omkeert!" Het volk, denkende dat onze zaken verkeerd stonden en wij daarom retireeren moesten, retireerde in zulk eene haast en verwarring, dat het mij en mijne geheele kompagnie op den grond smeet en alles in de war geraakte. Wat ook de reden mag geweest zijn, ik dankte God, dat ik er met den schrik en een gebeukt ligchaam afkwam.
  Het kwam ook gelukkig weer tot staan en hoewel niet ieder officier bij zijn eigen volk was, - want de kompagnin waren onder elkander gemengd geworden, - rukten wij weer meer voorwaarts, tot er wederom "halt!" werd gekommandeerd en de cavallerie vr werd geroepen, welke ook al heel schielijk ventre terre ons voorbij vloog maar even schielijk terug kwam.
  Wij bleven ondertusschen met het geweer in den arm staan en deden niets, uitgezonderd de 1ste kompagnie, welke rechts van den weg en tirailleur was gezonden; vervolgens rukten wij nog wat meer voorwaarts tot aan een hoek van den weg, vanwaar wij den toren van Kermpt vlak vr ons hadden liggen.
  De vijand had twee stukjes geschut op het kerkhof geplant en schoot z met mitraille den weg langs, dat het onmogelijk was hier lang, zonder een aanmerkelijk verlies, te blijven staan. Wij vroegen dan ook den majoor, wat wij moesten doen, maar "ik heb geene orders!", was wederom zijn kort antwoord.
  Wij begrepen echter dat wij ons niet koelbloedig konden laten doodschieten, maar dat er iets gedaan moest worden en besloten toen ons zelve te redden, den majoor verzekerende, dat indien het niet goed afliep, hij voor alles verantwoordelijk was. Nu ging ieder officier met het volk dat bij hem was dr, waar hij dacht den vijand de meeste schade te kunnen toebrengen en zoo verstrooiden wij ons links en rechts van den grooten weg. De majoor bleef zeer koelbloedig, uit een kort pijpje rookende, op zijnen rossinant zitten trotseerde, alsof hij onkwetsbaar was, een hagelbui van kogels. Ik sloeg met eenige anderen een zijwegje links van den weg in, alwaar wij gedekt door een hoogen wal, zelve tamelijk veilig, den vijand in een nabijgelegen bosch goed konden beschieten.
  Op een kleinen afstand van ons zagen wij vijf ruiters in galop op ons aanrijden, welke met hunne mutsen zwaaiden en die wij door de geestdrift waarin wij waren, voor onze eigene lanciers hielden. Een van onze schutters wilde al dadelijk er op los branden, maar een officier riep hem toe: "Schiet toch niet, jongen! Schiet niet! het is van ons eigen volk!" Toen zij echter nader kwamen schoten zij hunne karabijnen, die echter niet raakten, op ons los en jakten met hunne vervaarlijke zwaarden links en rechts van zich. Waren wij bij de hand en niet te driftig geweest, gemakkelijke zouden het ons gevallen zijn hen krijgsgevangen te maken. Het was waarschijnlijke eene van de hoofdtroep afgedwaalde verkenning. Het zoude mij zelfs niet verwonderen, dat zij, geen kans ziende om te ontkomen, door het zwaaijen hunner mutsen te kennen wilden geven, dat zij zich overgaven, doch onze vergissing bemerkende, het uiterste wilden wagen. Zij gedroegen zich manhaftig; twee er van moesten het met den dood bekoopen en de anderen geraakten er bij ons, hoewel niet heelhuids, door. Ook van ons werden eenigen door hen gewond. Het waren chasseurs cheval.

De Friezen bij Kermpt.
DE FRIEZEN BIJ KERMPT
(Naar een schilderij van Hoynck van Papendrecht.)
 
  Kort had het gevecht nog maar geduurd, toen er, behalve eenige schutters, ook reeds een officier buiten het gevecht werd gebracht; het was Kooistra, 2de luitenant bij de 2de kompagnie, die door een kogel in het gewricht van den voet was getroffen. Den geheelen avond bleven wij zoo vechtende; wij avanceerden wel niet, maar retireerden evenmin.
  Uit de stukken hooge hennep, uit de bosschen en het kreupelhout, waarin de vijand zich verscholen had, overal van waar men vuur zag komen, werd, dikwijls zonder iets te zien en dus op goed geluk af, geschoten. Ook op ons werd op eene vreeselijke wijze gevuurd, hoe wel met weinig succes; de kogels vlogen meest over ons heen, waarom wij onze manschappen vermaanden vooral niet te hoog aan te leggen. Zelfs het geschut dat de vijand op het kerkhof te Kermpt had geplant, deed ons weinig nadeel. Nu en dan ging er een schot mitraille over ons hoofd even alsof er een geheele vlugt duiven over ons heen vloog, maar het schot kwam meest in de boomen te land en die het verst stonden werden dikwijls het eerst gekwetst. Van ons vielen er echter ook verscheidene. Enkele vielen er, om nooit weer op te staan en menigeen moest, zwaar gewond, het slagveld verlaten. Van de officieren was Kooistra reeds terug gebragt. Adama, van der Veen en Hillebrands volgden hem. Zelfs waren er die gedurende het gevecht jichtig werden en n was er die, zooals hij geloofde, door een bajonet was gewond aan den voet, maar hoe en wr het gekomen was, kon hij niet zeggen; genoeg was het dat hij kreupel liep en dus het slagveld moest verlaten.*

[noot: Volgens een brief van genoemden luitenant Kooistra, waarin ook deze het gevecht bij Kermpt heeft beschreven, moet dit de tweede luitenant J.L. van Sloterdijck zijn geweest, wiens afbeelding in uniform op een familieportret, waarvan de reproductie hiernevens is afgedrukt, is bewaard gebleven. Luitenant Kooistra zegt in zijn brief, dat van Sloterdijck deze bajonet-steek "waarschijnlijk door onvoorzichtigheid" heeft opgeloopen.]

J.L. van Sloterdijck
Luitenant J.L. VAN SLOTERDIJCK.
die in het gevecht van Kermpt werd gewond.
(Naar een familieportret.)
  
De 2de luitenant Molanus kwam, alsof het eene bovenaardsche verschijnen was, met eenige manschappen uit eene wolk van kruit-damp te voorschijn; hij was ook in de dij gekwetst, echter niet z erg dat hij ook achteruit gezonden moest worden. Een van mijn schutters kreeg een kogel dwars door den nek; de kogel kwam aan den eenen kant, even boven den schouder, in en aan de andere zijde, even onder het oor weer uit. Men ried hem aan achteruit te gaan, maar hij had nog een schot in het geweer, dat er eerst uit moest en, nadat hij, met zijn doorboorden nek had afgeschoten, verliet hij het gevecht.
  Zoo bleven wij den geheelen avond vechtende, totdat de duisternis er een einde aan maakte.
  Ons bivouak was heerlijk; het was bestemd geweest voor de studenten en die heertjes hadden wel gezorgd dat er niet te weinig stroo was. Het was zeer duister. De majoor viel nog in een ingevallen graf, waaruit hij met veel moeite getrokken werd. Zelden of nooit heb ik een dag beleefd, waarop mij de dorst meer gekweld heeft als op dezen, hetgeen zeker door het afbijten van salpeterige patronen (want wij hadden k geweren) veroorzaakt was en water was nergens te vinden! Uit eene bijna opgedroogde vijver joeg ik eerst de kikvorschen weg en schepten toen wat drabbig water om te drinken; al ware het vergif geweest, ik had het genomen om mijne tong te verkoelen.
  Afgemat van vermoeienis en vol treurige gedachten viel ik weldra in een diepen en gerusten slaap. Wij hadden dezen avond het verlies te betreuren van negen en tachtig dooden en gekwetsten tezamen. Ik verloor van mijne kompagnie drie man en had negen gekwetsten.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline