Veldtocht:
hfst. 8 - 9

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
VIII. VAN DURE BOONTJES EN VERWISSELDE SOEP.

Donderdag den 4den Augustus 1831.


  Door een aangenamen slaap verkwikt, wekte de reveille ons om drie uur uit onze rust. Gaarne had ik nog wat langer willen blijven liggen, had niet het knorrig gezigt van de majoor, die altoos onrustig was, den slaap mij it de oogen verjaagd. Er werd wederom soep gekoot, of liever de overgebleven soep van den vorigen dag, werd met water aangevuld en nog eens doorgekookt. Om half vijf vervolgden wij onzen togt langs eenen aangenamen aan beide zijden met bosschen en weilanden omzoomden weg. De landsdouw begon hier beter te worden. Met verrukking zagen wij hier somtijds landen met koeijen welke gemolken werden, verrukkend voor ons, die in zulk een langen tijd bijna niets dan bosschen, heidevelden en schrale koetjes hadden gezien. Het was een heerlijke morgen. Toen echter de zon wat hooger begon te klimmen, werd het marcheeren lastig en vermoeijend door de hitte en dorst, en voornamelijk door de wolken van stof, welke door de inÚÚngedrongen colonnes van zoovele honderden ontstonden en ons dikwijls de ademhaling verhinderden. Er ontmoette ons op dezen marsch niets belangrijks als alleen dat hij dorpje Rethij passeerden, hetwelk naar het uiterlijk der boerenwoningen te zien, een welvarend dorp scheen te zijn.
  Na een vermoeijenden marsch, waarop wij veel volk onderweg hadden moeten laten liggen dat door warmte en dorst flaauw was geworden en eerst 's avonds laat bij het bataillon terug kwam, kwamen wij 's middags ten ÚÚn uur te Moll aan.
  Moll is een zeer schoon en groot dorp. De kom van het dorp bestaat uit een lange straat, aan weerszijden met uitmuntende huizen bebouwd. In het midden van deze straat staan de kerk en het raadhuis, waarvoor zich de straat tot een lange breede marktplaats verwijdt. Wij marcheerden door Moll heen, sloegen bij het raadhuis den weg links af tot voor een tak van het riviertje de Nethe, vˇˇr hetwelk wij op een schoon stukje grasland, dat nog ongemaaid was, ons bivouak opsloegen. Na, zooals gewoonlijk, eerst onze vermoeide ledematen wat uitgerust te hebben, overlegden wij wat wij eten zouden. Van fourageeren had ik nog niets gehoord. Aan kippen zou ook slecht te komen zijn, want aan alle kanten hoorde ik reeds het gekakel en de laatste doodsnikken der kippen. Met behulp van mijn hondje Nienke Wietses, dat overheerlijk kippen kon vangen en een eerste marodeur was, kreeg ik nog een kip, terwijl ik tevens een schutter uitzond om in eenen tuin wat slaboontjes voor mij te halen. Dit had dezen man bijna zijn leven gekost. Er was door soldaten bij den pastoor geld gestolen, hetgeen van dat gevolg was, dat er een order door den Generaal uitgevaardigd werd, dat elke diefstal, hoe gering ook, ten strengste gestraft zoude worden. De Kolonel Kok Sprengler der 8ste afdeeling zag mijnen schutter (drie dagen later sneuvelde die brave Miedema door een kogel in den buik) bezig met boontjes te plukken; met een ijselijk geweld joeg de Kolonel hem den tuin uit, zoodat onze boontjesplukker brutaal werd. Dit verbitterde den Kolonel nog meer. Hij vloog naar mij toe en eischtte dat ik dien schutter dadelijk voor den krijgsraad zou dagen. De overige schutters wilden, wegens het gedrag en de dreigementen van den Kolonel jegens hunnen kameraad, hem te lijve, zoodat ik moeite had ze terug te houden; daarenboven zat ik in geen geringe verlegenheid omdat ik zelve de oorzaak was van al deze onheilen. Toen de kolonel wat bedaarder was geworden, ging ik naar hem toe, verhaalde hem de gansche historie en verzogt vrijstelling voor den schutter, die een der besten van mijne kompagnie was, hetgeen mij ook gereedelijk werd toegestaan. Het plan van hem was anders niet meer of minder geweest, dan om dezen boontjes-dief, tot voorbeeld voor anderen, een kogel door den kop te jagen. Dat zouden dure boontjes geworden zijn! In dien tusschentijd was er vleesch etc. gefourageerd, mijne boontjes en soepgroente waren reeds in verzekerde bewaring en nu gaf het eene algemeene kokerij. Intusschen bezogt ik het dorp eens, waar een drukte en eene beweging heerschten van wonder en geweld. De eene verkenning kwam aan, de andere reed af. Couriers, of liever ordonnansen, reden heen en weer. Wij waren hier niet ver van de vijandelijke troepen verwijderd en vandaar alle die verkenningen door de cavallerie. Hier hoorde ik ook dat het plan geweest was dat wij naar Turnhout zouden gemarcheerd zijn, om met de 2de Divisie die stad in te nemen, maar dat er te Rethij een ordonnans bij onzen Generaal was gekomen met het berigt dat na een kort gevecht te Ravels en bij Turnhout, die stad al zeer schielijk in handen van den Generaal Saxen-Weimar gevallen was. Vandßßr dat wij terug waren getrokken naar Moll en dien dag zulk een hoekigen marsch hadden gedaan. In vele huizen te Moll vond men geladen geweren en pieken. Ik zag den kapitein-adjudant Umbgrove met uitgetrokken sabel den veldwachter van het dorp bij den kraag pakken, hem dreigende, dat zoo hij hem niet direct de plaats aanwees, waar geweren en pieken verborgen waren, hij binnen de twee minuten een kop kleiner zoude zijn. Een dringende reden waarom deze man aanstonds op het gemeentehuis geweren en pieken aanwees, die allen op eene kar werden geladen en onder bedekking van eenige marechaussÚes, naar N. Braband werden teruggezonden.
  In eene herberg dronk ik een kopje koffij, de eerste warme drank dien ik in drie dagen proefde, en wandelde daarna naar het bivouak terug om te soep-eten. Met een bedrukt gezigt kwam mijn kok mij tegen, mij de tijding brengende dat hij even van zijne kokerij zich verwijderd hebbende, teruggekomen de hoendersoep in een schraal rundersoepje had veranderd gevonden. Een ander had zekerlijk begrepen dat deze hoendersoep beter en smakelijker zoude zijn als zijn rundersoep van dood-mager vleesch zonder soepgroente of iets er in, en had nu een ruiling gewaagd. Of ik al murmureerde en mijn kok dugtug den mantel uitveegde, het bragt mij mijne soep niet terug en ik moest mij met het remplacement vergenoegen. Het overige van den dag bragten wij door met praten, pijpjes rooken en onze stroo-legers in orde te brengen.
  's Nachts werd ik wakker en voelde eene geweldige jeukte op mijn gezigt; ik krabde zˇˇlang tot ik wakker werd en wat was het? eene geweldige regenbui die deze prikkelingen op mijn gezigt veroorzaakte. Ik viel echter niettegenstaande den aanhoudenden regen weer in slaap.


IX. DE EERSTE DOODE.

Vrijdag den 5den Augustus 1831.

  Het gebrom van vier en twintig trommen wekte ons, zooals gewoonlijk, reeds vroegtijdig uit onze rust; mijn mantel was door den regen vrij wat nat geworden. Langzamerhand begon de lucht helderder te worden en toen de zon opkwam, was het weder, even als de vorige dagen, voortreffelijk. Tot verandering ontbeet ik nu inplaats van met soep met eene boterham, welke ik nog met moeite in het dorp opdeed, en met een dronk frisch water uit het riviertje de Nethe, waarna wij den marsch vervolgden. Ik had den grootsten last van mijnen mantel, welke, doordien hij nat was, verschrikkelijk op mijne schouders drukte. Het eerste dorp dat wij aantroffen was Balen, evenals het volgende dorp Olmen, een schoon dorp. De dorst plaagde ons weer op eene verschrikkelijke wijze en nergens was water te vinden en genever was voor geen geld te krijgen. De warmte was in deze hollen, aan beide zijden met kreupelhout begroeiden weg, bijna ondragelijk; nu en dan trokken wij oever eene kleine heide en welk een verkwikking was het dan als ons een zoel togtje over het gezigt woei! Naauwelijks Olmen doorgetrokken zijnde, hoorden wij op eenen kleinen afstand van ons, bij tusschenpoozen geweerschoten en vernamen al zeer schielijk dat eene patrouille huzaren met eene Belgische patrouille in aanraking was. De Leijdsche studenten, die als jagers altoos het hoofd van onze colonne uitmaakten, werden aan beide kanten van den weg en tirailleur in de bosschen gezonden. Het duurde ook niet lang of het schieten werd heviger, maar verwijderde zich tevens, waaruit wij konden opmaken dat de vijand retireerde. Eindelijk hield het schieten geheel op. Wij kwamen de patrouille huzaren voorbij, die den vijand het eerst hadden ontmoet. Zij waren nu afgestegen om te rusten, doch maakten tevens van die rust gebruik om aan hunne plunderzugt te voldoen. Van alle kanten hoorde men het stukken slaan in de boerenwoningen van meubelen, glazen etc.; van alle kanten hoorde men het gekakel van hoenders en overal zag men huzaren weg komen beladen met kippen, eijeren, boter etc. Toen wij op eene kleine heide vˇˇr het dorp Oostham kwamen, hielden wij eenige oogenblikken rust. Hie kwam een peloton der Leijdsche studenten weer bij ons, terwijl het ander peloton met eenige kompagniŰn van het flank bataillon der 13de afdeeling rechts af over Kwaad-Megchelen den vijand nog agtervolgde. Groot was onze blijdschap toen wij onze kameraden, de Leijdsche jagers bij wie wij, tijdens ons verblijf in Gestel en ons kort kantonnement te Eindhoven, verscheidene kennissen hadden gekregen, na hunne eerste schermutseling met den vijand, behouden terug zagen. Het ontbrak ons gedurende die rust niet aan discours, want, zooals te begrijpen valt, hadden de studenten vrij wat te vertellen; de een had meer heldendaden gedaan als de andere. Zij hadden twee gevangenen gemaakt; een jongeman die ook van te voren in Hollandschen dienst was geweest en een oud man, die wel geen soldaat scheen te zijn, maar echter op een der studenten in het bosch had geschoten. De Brigade kommandant, de kolonel St÷cker, hield nog eene kleine aanspraak tot ons, waarin hij ons voor den betoonden moed bedankte. Na wat gerust, gegeten en gedronken te hebben, vervolgden wij onzen marsch door het tamelijk groote dorp Oostham, dat bijna geheel door de voorhoede der cavallerie was geplunderd. In bijna geen enkel huis was een venster of deur geheel gebleven; de meubelen waren stuk geslagen en verscheidene bedden opengesneden, zoodat de veeren over de straat vlogen. Geen levende ziel was meer in het dorp, dan alleen een zwarte smid, die de courage had gehad, om geheel alleen in het dorp te blijven, hetgeen van dat gelukkig gevolg was dat hem geen kwaad werd gedaan en dat er in zijn huis niets vernield werd. Toen wij er door trokken stond hij zeer gerust voor zijne deur eene pijp te rooken en niemand zeide hem een kwaad woord, maar iedereen gaf hem den roem na, dat hij een courageuze vent was.
  Vervolgens kwamen wij te Beverloo, een groot schoon dorp, met een brillante kerk en toren, staande op eene steile hoogte; met eenige trappen klimt men op het kerkhof. Na buiten het dorp een fraaije borenwoning gepasseerd te zijn, klommen wij langzaam op eene hoogte en hadden toen een uitgestrekt gezigt over eene kale zanderige heide en hadden het kleine stadje Beringen in het verschiet. Langzaam wandelde de colonne over die heide, tot wij op den weg kwamen van Kwaad-Megchelen en Beringen, welke met boomen beplant was. Even vˇˇr Beringen hielden wij een oogenblik halt. Een van mijne schutters ging in een aan den weg gelegen aardappelland, om te zien of er ook eene waterkom in het land was om er uit te drinken. In eens riep hij uit: "God! een doode student!" Verschrikt over dezen uitroep, vloog ik door de struiken en zag daar een student liggen, achterover, met mond en oogen open, armen en beenen uitgestrekt, de borst bloot en het hoofd geheel bebloed. Zijn ransel lag naast hem, doch was geheel ledig. Ik onderzogt hem dadelijk; lang kon hij hier nog niet gelegen hebben, want hij was nog warm, maar het leven had hem verlaten; een kogel had hem het achterhoofd doorboord. Schielijk kwamen er studenten bij, die den gesneuvelden herkenden voor hunnen kameraad, de Heer Beekmans, student te Deventer, behoord hebbende bij het peloton dat den vijand verder achtervolg had. Onwetende hoe het met dat peloton en de kompagnie der 13de afdeeling afgeloopen was, dagten wij in het eerst dat Beekmans misschien en tirailleur geweest zijnde, van de hoofdtroep afgedwaald - en hier verraderlijk vermoord was. Wij werden te meer in dit gevoelen versterkt, omdat hij reeds geheel was uitgeplunderd. De huizen in den omtrek werden onderzocht, maar geen levende ziel werd gevonden. Eindelijk kwamen er studenten van het en tirailleur geweest zijnd peloton en verhaalden ons dat zij - met het flank bataillon der 13de afdeeling den vijand achtervolgd hebbende en door Kwaad-Megchelen op Beringen gemarcheerd, denkende ons reeds daar te vinden, - geheel onverwacht buiten dit stadje door een bataillonsvuur werden verwelkomd, maar dat zij, nÓ eenigen tijd aan weerszijden een levendig vuur onderhouden te hebben, den vijand uit de stad hadden verdreven en op de vlugt gejaagd, tengevolge van welk gevecht de Heer Beekmans was gesneuveld. Welk gezigt deze gesneuvelde op ons maakte, valt ligt te begrijpen. Het was alsof wraakzugt iedereen bezielde. Binnen de stad gekomen, zag ik op welk eene wijze de studenten den dood van hunnen kameraad aan denkelijk geheel onschuldige burgers zochten te wreken en niet alleen studenten, maar soldaten en onze schutters vierden hier bot aan hunne plunder- en vernielzucht. Overal hoorde men het rinkink der ingebroken glazen, overal het bonzen op deuren en kasten. In een kantoor had men de kasten opengebroken, de boeken en papieren werden vernield en op de straat gesmeten. Onze schutters hielden wij nog in toom, totdat wij rust kregen en toen stoof het geheele bataillon zˇˇ uiteen, dat er voor de officieren geene mogelijkheid bestond, om het plunderen en vernielen te beletten; zij bestormden de winkels, haalden er uit wat zij hebben wilden, sloegen deuren en vensters in en ru´neerden wat zij maar konden. De meeste inwoonders hadden hunne woningen verlaten en die gebleven waren stond de doodsangst op het gelaat te lezen. Gedurende den geheelen veldtogt is ook nergens meer geplunderd en vernield geworden, als in dit aardig en schoon stadje Beringen, dat nu aan de woede der soldaten was prijs gegeven en een tooneel van de verschrikkelijkste ellende was geworden.

Het gevecht bij Houthalen.
HET GEVECHT BIJ HOUTHALLEN,
waaraan het tweede bataljon der tweede afdeeling Friesche schutterij
na een marsch van vier en twintig uren tegen den avond van
6 Augustus 1831 een beslissend aandeel neemt.
(Naar een schilderij van kolonel Groenia.)


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline