Veldtocht:
hfst. 6 - 7

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
VI. EEN ONAANGENAAM BIVAK.

Dinsdag den 2den Augustus 1831.


  Om zes uur 's morgens stonden wij ook reeds gerangeerd op de markt van Eindhoven, om van hier onzen togt tegen de oproerige Belgen te ondernemen. De Leijdsche studenten namen eenen anderen en korteren weg naar de plaats hunner bestemming, n.l. over Gestel etc.; maar daar wij de batterij no. 8 van de veld-artillerie, (gekommandeerd door den kapitein van der Wal, welke te Stratum digt bij Eindhoven gekantonneerd lag), moesten dekken, volgden wij den grooten weg. Opgeruimd, vrolijk en in de beste orde verlieten wij Eindhoven. Oude en in den dienst grijs geworden officieren verklaarden nimmer een leger opgeruimder en vrolijker naar het slagveld te hebben zien heentrekken. Na te Stratum wl een uur, onder eene langzame regenbui, op de batterij - die zekerdoor vergissing een uur later appl hield - gewagt te hebben, geraakten wij om half acht en route, den straatweg volgende, die over Valkenswaard, verder door tot aan Hasselt, Leuven of Maastricht loopt. Aan dezen straatweg hadden de Belgen bij het dorp Sonhoven een kamp, onder kommando van den generaal Daine.
  Achter Valkenswaard gingen wij, rechts van den straatweg af, door de heide, achter ons vorig kantonnement Dommelen heen, naar Westerhoven, een aardig boschrijk dorpje, waar wij eenigen tijd bleven rusten, hetgeen in die gewelde warmte en met dat stuiven (de regen van 's morgens was door den daaropvolgenden sterken zonneschijn geheel verdwenen) eene aangename verademing was. Vervolgens marcheerden wij langs een niet onaangenamen weg, aan welken hier en daar armoedige boerenwoningen gebouwd waren, naar Bergeik, een schoon groot dorp. Alles was hier op de been, om de beweging van zoovele troupes te zien. De dogters van den burgemeester trokken aller aandagt tot zich, want dat waren beeldschoone meisjes. De tweede brigade van onze divisie zagen wij hier voor ons uit marcheeren. Vervolgens kwamen wij op een groote bergachtige heide, de Bergeiksche heide genaamd, waar wij, na de 2de brigade, welke reeds hare geweren in rotten had staan, voorbij getrokken te zijn, mede onze geweren in rotten aanzetteden en rustten. Wij hadden juist de beste plaats niet; het was hier zeer moerassig, hetgeen door een opvolgende regenbui, die nogal van belang was, niet verbeterd werd. Wij wilden ons echter deze moeijelijkheid gaarne getroosten, ons verheugende dat wij voor dezen dag op de plaats onzer bestemming waren, want nog ongewoon aan het marcheeren, verbeeldden wij ons reeds vermoeid te zijn, maar wij vonden ons deerlijk bedrogen.
  Wij, officieren, plaatsten ons gezamentlijk in eene gruppel en diverteerden ons met zien, praten en rooken, sommigen met slapen. De soldaten der 2de brigade (wij waren de eenigsten der 1ste) hadden reeds gefourageerd en waren reeds aan het koken. Onze magen begonnen ook te jeuken, zoodat wij een paar officieren naar het naburig Bergeik afzonden om boterhammen etc. benevens eenige flesschen wijn voor ons te halen. Eene kar was er afgezonden om voor het volk te Eersel te fourageeren. Onze afgezanten kwamen dan ook tot onze blijdschap terug met wijn, gekookte eijeren, brood, boter, zoodat wij een heerlijken maaltijd hadden. Ook noodigden wij den majoor, die altoos de afgezonderde eenzaamheid boven den gezelligen vriendenkring zijner officieren verkoos, uit, om aan onzen landelijke maaltijd mede deel te nemen, maar een "Nein! Ich heb zelbs", was het vriendelijke antwoord dat wij terug ontvingen. Na geindigden maaltijd een knippertje genoten te hebben, waaruit wij door eene regenbui gewekt werden, zagen wij de geheele 2de brigade de geweren opnemen en vertrekken, zoodat ons bataillon alln op deze uitgestrekte heide bleef staan. Wij vroegen den majoor of wij niet moesten volgen. "Neen! wij moeten nog de eerste brigade opzoeken, waartoe wij behooren." - "Maar majoor, waarom vertrekken wij dan niet?" - "Ik heb geene orders." - "Majoor! dan wordt het tijd dat het volk wat eten krijgt; dat heeft sedert den morgen niets gehad en de avond begint reeds te vallen." - "Daar is het te laat toe." Het volk begon reeds onder elkander t morren. Eindelijk moesten wij toch, daar de nacht ons anders zou overvallen, zonder orders vertrekken. Wij trokken langs Eersel; het eigenlijke dorp lieten wij rechts liggen en sloegen vervolgens links af, heidewaars in. Het volk dat kwaadwillig was geworden, doordien wij zoo nutteloos lang op de Bergeiksche heide hadden gelegen en nu, daar het reeds donker begon te worden, marcheeren moest, zonder nog te weten waar het einde van dien langen marsch was, sloeg uit moedwilligheid in een huis te Wiltreit, geloof ik dat dat gehugt heet, de glazen in; er ontstond eene geheele verwarring; de kompagnin waren onder elkander vermengd, hier en daar bleven er troepjes aan den weg liggen; de majoor was nergens te vinden en alles liep zonder orde en zonder zich aan de vermaningen of dreigementen der officieren te storen, door elkander heen.
  Eindelijk zagen wij, tot onzer aller groote blijdschap eene geheele, wel een half uur lange vurige streek, waar wij vermoedden dat het bivouak zoude zijn; wij kregen dus als het ware nieuwe moed en nader komende vonden wij ons niet bedrogen. Het was ongeveer half elf uur toen wij op ons bivouak aankwamen. De plaats die ons werd aangewezen was op den rechtervleugel, naast de Leijdsche studenten, welke in de grootste vrolijkheid reeds hun eten kookten en vuren stookten als kerken. Wij geraakten hier, zooals ik wel vermoed had, in groote verwarring, daar onze manschappen bij troepjes tegelijk aankwamen en alle kompagnin onder elkander waren vermengd. Daarenboven vielen wij, door die groote vuren verblind, in een moeras en, daar wij zoo laat kwamen, bleef de slechtste plaats voor ons over. Zoover de duisternis van den nacht ons toeliet zochten wij de beste plaats uit, die echter nog z moerassig was, dat wij niet lang zonder zinken op ne plaats konden blijven staan. Door dit zoeken kwam echter ons volk langzamerhand bij elkaar en werden de geweren in rotten gezet, waarna ons onze fourage - vleesch, rijst, zout, takkenbossen, brood etc. - werd uitgedeeld en wij zoo goed en kwaad wij konden kookgaten in den grond maakten en aan het koken gingen, terwijl de anderen bataillons reeds hadden gegeten en het grootste gedeelte zich reeds ter ruste begaf. Na onze soep over verschrikkelijke vuren gehangen te hebben, overviel ons door vermoeijenis de slaap z zeer, dat wij de soep aan de genade van het vuur overgaven om ze verder gereed te maken en plaatsten ons naast die groote vuren, (want eerst gezweet hebbende en nu door de nachtlucht en den vochtigen grond koud geworden zijnde, was het vuur ons aangenaam) op den grond neder om te slapen. Ik huurde voor een dubbeltje een ransel, die mij tot hoofdkussen zoude verstrekken, nam eenige takken om zoo goed mogelijk nog droog te liggen, wikkelde mij in mijnen mantel die mij tot deken verstrekte en viel schielijk in slaap. Toen echter de vuren hare grootste warmte verloren hadden, werd ik door koude en door stank, welke er uit die moerassen opsteeg, weder wakker, zoodat insluimeren en wakker worden elkander den geheelen nacht afwisselden.


VII. OP VIJANDELIJKEN BODEM.

Woensdag den 3den Augustus 1831.

  Na ijskoud uit mijne modderige slaapplaats te zijn opgestaan, was mijn eerste werk een geweldig vuur aan te zetten van takkebossen, welke wij tot groot geluk in overvloed hadden. Wij zagen er zoo morsig uit als varkens, maar hadden dien nacht ook als varkens in het slijk omgevroet. De dag begon nog maar even aan te breken, doch het grootst gedeelte van het volk had door koude, reeds zijn stinkend nachtleger verlaten. Wij behoefden elkander niet te vragen: "hoe hebt gij geslapen?", want de akelige gezigten toonden genoeg aan, dat wij vrij wat moesten aanleren, eer wij op het bivouak zoo goed sliepen als op bed. Wij hadden eenen akeligen nacht gehad, stonden ijskoud op en waren blijde toen wij de eerste stralen der morgenzon, die ons eenen schoonen dag voorspelde, over de onafzienbare heide uit de kimmen zagen te voorschijn komen. - Onze soep, die den geheelen nacht over het vuur had gestaan, werd nog eens opgekookt en zou vervolgens gegeten worden; maar niettegenstaande mijne soep onder mijn oppertoezigt gekookt was, zag ik dat het kooken van drankjes beter mijn werk was als soepkooken; het vleesch was niet gaar en de soep z zout en aangebrand, dat zij niet eetbaar was. Onze kookketels bestonden uit dunne blikken zes mans ketels; het kon dus ook niet anders of met zulk een reusagtig vuur er onder, zonder roeren, moest de rijst aanbranden. Onze ledige magen moesten dus met droog komies-brood gevuld worden. Na het eten werd er appl gehouden en brood en scheepsbeschuit, of liever zemelen-beschuit uitgedeeld; maar z schielijk werd hierop de aftogt geslagen, dat er verscheidene brooden en stapels beschuit bleven liggen, vooral de Groninger schutterij, omdat geen tijd was om het uit te deelen.
  Wij sloegen de heide verder rechts in, terwijl de cavallerie (dragonders en huzaren), ons links vooruit reed. Wij waren reeds op vijandelijken bodem en moesten dus op alles verdagt wezen, waarom de cavallerie vooruit moest, om veldontdekkingen of verkenningen te doen. Tegen acht uur kwamen wij voor een uitgestrekt groot bosch, Het Postelsche Bosch genaamd. Dit bosch behoorde eertijds toe aan de abdij van Postel, doch is naderhand voor een spotprijs aan een heer van Antwerpen verkocht. De Roomschen wilden uit een godsdienstig oogpunt dit bosch niet koopen, zoodat de Gereformeerde heer van Antwerpen er zeer goedkoop is aangekomen. Vr dit bosch hielden wij rust, waarvan de schutters en soldaten gebruik maakten, om hunne overtollige bagage uit hunnen ransel te pakken, want zij begrepen dat de ransel zwaar genoeg was alln met hetgeen er in behoorde te zijn. De soldaat wordt ook vrij wat belast. Zijn geweer en patroontasch met vijftig scherpe patronen, wegen reeds eenigen ponden, dan zijn broodzak met wat eetwaren, eene veldflesch met water en zijn ransel, die door elkaar ook een 20 25 ponden weegt. Als men met dit vragtje gedurende zes uren op een dag door het dikke zand en in de brandende zon marcheert, dan kan men zich niet verwonderen dat sommigen van vermoeijenis aan den weg blijven liggen. De cavallerie kwam hier weer bij ons en werd na eenigen tijd rustens, links en rechts rondom het bosch en tirailleur gezonden, terwijl de jagers het bosch dr tirailleerend ons vooruit gingen, om te zien of er ook vijandelijke troepen in hinderlaag lagen, zooals het vermoeden was en zoo rukten wij weer op. Het bosch was brillant, geheeld door de natuur gevormd, met reusagtige eiken- linden- dennen- en beukenboomen. Bij sommige tijden is dit bosch wel eens gevaarlijk, omdat het menigmaal eene schuilplaats voor roovers is. Zonder echter een levend wezen te ontmoeten, kwamen wij gelukkig het bosch door, zagen weer niets dan heide vr ons en in het verschiet het dorp of de abdij van Postel. Vr het dorp stond de cavallerie weer op ons te wagten en na eerst de struiken en boomen en spijkerplanken, waarmede men den weg gebarrikadeerd had, weggenomen te hebben, rukten wij gezamentlijk het dorp in.
  De entre in het dorp is overheerlijk. Pas heeft men de kale heide verlaten en een klein kreupelboschje doorgetrokken, of men ziet aan weerszijden van den breeden weg vrugtbare bouwlanden en de weg aan beide kanten met eene dubbele rij majestueuze lindenboomen beplant. Het dorp, of liever de abdij (want ik geloof dat er een dorp Postel bestaat, een half uur van de abdij afgelegen) ligt in eene vrugtbare met veel hout bewassene streek; rondom is alles heide, maar dit kleine plekje schijnt een goede grond te zijn; dat kan men trouwens ook wel nagaan, want waar kloosters en monnikken zijn heerscht doorgaans overvloed.
  Na hier eenigen tijd gerust te hebben, vervolgden wij onzen marsch en kwamen schielijk weer op de heide. Wij sloegen ons bivouak op bij Arendonck, op een kamp bouw- en aardappelland, zoodat wij niet lang om aardappelen behoefden te zoeken. Met twee officieren werd ik uitgezonden om vleesch, genever etc. te fourageeren, maar de heeren slagers schenen weinig gesteld te zijn op koopers zonder geld, zooals wij waren, want men moest al met harde woorden en dreigementen komen, om schielijk en goed geholpen te worden. Na voor het volk gezorgd te hebben ging ik eens rondwandelen om te zien, of ik voor mij zelve ook een gastvrij dak kon vinden, dat mij van het noodige voorzag. Ik rigtte eerst mijn schreden naar den pastoor, maar een "Sauvegarde voor den generaal Meijer" met krijt op de deur geschreven, deed mij eerbiedig de hand aan de chacot slaan en ik ging voorbij. Eindelijk kreeg ik een hoog huis met een torentje er op in het oog, hetgeen ik vernam een klooster te zijn. Ik stapte er in en een bejaarde matrone met eenige jonge jufvrouwen - waaruit ik begreep dat het klooster tot een instituut voor jonge dames was gemetamorphoseerd - kwamen mij met een angstig gelaat tegen. - "N'ayez pas peur, mes Dames!", zeide ik. "U zal geen leed geschieden, ik ben een Hollandsch officier, die honger en dorst heeft en die beleefdelijk om wat eten, en vooral om een glas wijn komt vragen." - Ik kreeg alles wat ik begeerde: de jonge dames smeerden mij een lekkere boterham met vleesch en met een " votre sant, mes dames!" dronk ik het eerste glas heerlijke wijn ledig, dat de oude dame mij inschonk. De angst begon langzamerhand de gezigten te verlaten, ieder begon vrijmoedig en met een soort gulheid tegen mij te spreken, zoodat ik eenige aangename oogenblikken sleet, in gezelschap van die levendige Belgische meisjes, waaronder verscheidene knappe gezigtjes waren.
  Op het bivouak teruggekomen, voorzagen wij ons van stroo om ons bed klaar te maken, rookten nog menige pijp onder een levendig gesprek en toen het donker begon te worden, zocht elk zijne respective slaapplaatsen op. Het was een heerlijke nacht, de hemel was bezaaid met sterren. Tusschenbeiden werd ik nog een wakker en verwonderde mij dat alles zoo doodstil was, niettegenstaande zoovele duizenden daar in een kleinen omtrek bij elkander lagen. Slechts een enkele snorker brak de stilte af.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline