Veldtocht:
hfst. 4 - 5

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 2 - 3
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
IV. MET ONTROLD VAANDEL DOOR BRABANT.

Woensdag den 20sten April 1831.


  De lugt was zeer buijig toen wij 's morgens naar Lieshout vertrokken, alwaar het bataillon zich verzamelen zoude.
  Lieshout is eene plaats die wel in ons geheugen zal bewaard blijven, omdat het vaandel, hier voor het eerst ontrold - en met eene niets beteekenende aanspraak van den majoor, aan den vaandeldrager werd overhandigd.
  Wij gingen een toren en een kerk voorbij, zeer eenzaam aan den weg liggende, waarvan ik den naam niet heb kunnen vernemen. Na bij afwisseling langs goede korenlanden en eenzame heidevelden gemarcheerd te zijn, kwamen wij te Nunen, waar wij militairen aantroffen van de 8ste afdeeling, welke hier gekantonneerd lagen, en langs een boschrijken weg bereikten wij Eindhoven, een oud onaanzienlijk stadje, alwaar de Leidsche studenten en het 2de bataillon 1ste afdeeling Groninger schutters gekantonneerd waren, behalve dat er nog het Hoofdkwartier van den Generaal Meijer en van den kommandant de 1ste brigade, den kolonel Stcker lag.
  Ik werd ingekwartierd bij den heer Jansen, op het bevallig gelegen buitenplaatsje Rapelenburg. De rivier De Dommel stroomt rondom dit buitengoed en even voor het slotje staat aan de rivier een water-korenmolen, zoodat zij hier een groote kom vormt en altoos sterk stroomende is, hetgeen de ligging van dit buitengoed aanmerkelijk verfraait. Nog lag hier met mij in het kwartier de Ritmeester van het 5de regiment ligte dragonders de Groot, een oud militair, die zich beroemde dat er weinig militairen, met zoovele wonden van den vijand en van paarden bedekt, gevonden werden als hij. Hij had slechts n oog, het linker oog was hem in den slag bij Waterloo uitgeschoten, nadat hij reeds drie andere kogels had ontvangen. Hij was een zeer aardig man en een braaf soldaat.
  De heer Jansen, een man van een alledaags karakter, was gehuwd met eene Oost-Friesche vrouw uit Emden. Hij had twee dogters dat zeer lieve meisjes waren en die te Brussel op school hadden gelegen benevens drie zoontjes. De meisjes hadden een akelig leven. Mijnheer Jansen leefde in onmin met zijne gansche familie en duldde niet dat zijne dogters (de eene twintig - de andere achttien jaren oud) bij iemand kwamen met wien hij in onmin leefde, en, daar hij door zijn bizar karakter met iedereen overhoop lag, was het gevolgd dat zijne anders vrolijke dogters, altoos hun troost en genoegens onder elkaar moesten zoeken, waarover zij zich bij mij bitter beklaagd hebben. De oudste heete Jeanette, de jongste Ambroisine. Hij was koning Lodewijk geattacheerd geweest. Hoe goed wij het er - uitgezonderd het gezelschap van Mijnheer en Mevrouw, - ook hadden, wij kregen ongenoegen met hen, omdat Mevrouw ons verzogt elders te gaan eten, (hetgeen voor ons, die zich in alle opzigten naar het huishouden schikten, eene beleediging was), met dat gevolg, dat wij gingen delogeren. Ik werd nu ingekwartierd bij den leerlooijer Van Wokhoven, alwaar ik eene ruime kamer had, terwijl de menschen vriendelijker waren als de heer Jansen en zijne vrouw, welke niet hadden gedagt dat wij hun onbillijk verzoek zoo euvel zouden opnemen en die naderhand veel moeite deden om ons terug te krijgen. Ik leefde bij Van Wokhoven veel vrijer en had het er uitstekend naar mijnen zin, behalve dat er een geheel heer van bloeddorstige dieren op een ijselijke wijze mij mijne nachtrust ontroofde en mijn ligchaam op een onfatsoenlijke manier toermenteerde.
  Wij leefden hier met de dragonder-officieren op een zeer genoegelijken voet. De uren waarop wij niet exerceerden (want wij exerceerden dagelijks eenige uren), bragten wij zeer vriendschappelijk door in de herberg "Het Eindhovensche Bierhuis" bij Orange Betje, waar wij ons met de kinderagtigste spelen, zooals knikkeren, dikwijls hebben vermaakt. De president van de rechtbank te Eindhoven, de heer Schiban, die ook te Gestel woonde, deelde ook steeds in onze knikkerpartijtjes en z sleten wij genoegelijke dagen. Onze eerste kompagnie geheel bestaande uit vrijwilligers en in de wandeling "de kompie studenten" genoemd, gekommandeerd door den kapitein Bogstra, die reeds vr ons uit Leeuwarden gemarcheerd was en tot nu toe in 's Bosch guarnizoen gehouden had, kwam bij ons en werd te Veldhoven gekantonneerd.
  Op 29 Mei vertrokken wij van Gestel naar Dommelen, een armoedig dorp, dat op de uiterste voorposten lag, waarom wij drukke wagten hadden te doen. 's Nachts moest ons volk gezamentlijk in eene schuur logeeren, om bij een onverwagten aanval der vijanden direct bij de hand te zijn. Den eersten avond had het volk hier geweldig veel op tegen en opgeruid door sommige dwarsdrijvers der kompagnie studenten van Bogstra, weigerde het in de schuur te gaan. Wij lieten toen onze manschappen op de heide naar den Belgischen kant, bivouakkeeren buiten het dorp. De nacht was zeer koud en het woei eene stevige koelte, zoodat zij den volgenden morgen geweldig over hoofdpijn, pijn in de leden en slaperigheid klaagden, het bivouak naar alle d...s wenschten en hunne stijfhoofdigheid vervloekten, met dat gevolg, dat zij de volgende avonden zonder eenige murmureering, gezamentlijk in de schuur kroopen, waar zij als haringen in een ton werden ingepakt. Ik met mijne kompagnie en de kompagnie van den ouden Bogstra lagen te Dommelen, de overige kompagnin te Riethoven en Westerhoven. Wij hadden het niettegenstaande de armoede van het dorp goed naar onzen zin en rekende het ons eene eer, dat wij de nige schutters van onze divisie waren, welke op de voorposten lagen, hetgeen bij anderen, zelfs bij de afdeeling, jaloerschheid verwekte. Niet lang echter bleef ons de eer te beurt vallen.


V. EEN VROOLIJK KANTONNEMENT.

Vrijdag den 3den Juni 1831.

  Te Wintelre werd ik ingekwartierd bij den heer Perez, een controleur bij het kadaster en de overige officieren bij den pastoor.
  De heer Perez was een Spanjaard van afkomst en te Batavia geboren. Zijne vrouw die alle kenmerken van voormalige schoonheid droeg en welke toonde dat ze van een goede familie was en een zeer goede educatie had genoten, was van Engelsche afkomst. Zij hadden twee volwassene dogters. Victoire en Charlotte, benevens twee jongere zoons, dat rechte stroppen waren. De oudste dogter, Victoire genaamd, zong overheerlijk en bespeelde de guitare.
  Lotje was een beeldschoon meisje en had een lief zagtaardig karakter. Zij zong ook heel lief. Zelden heb ik een meisje gezien, dat zveel haar op het hoofd had als "Donia Charlotta" zooals wij haar den wandeling noemden.
  Hun huishouden was zonderling en zonder orde. 's Morgens om tien elf uur werd er ontbeten. Bij het ontbijt kwam het mevrouw dikwijls in den zin, dat er nog geen vleesch voor den middag was. Een van onze oppassers moest dan naar Oirschot, dat er twee uur vandaan lag, of naar Eindhoven, drie uur van Wintelre gelegen, om vleesch te halen. Kwam hij dan eindelijk met het gewenschte thuis dan moest het nog gebraden worden. Bragt hij de gewone boodschap mede: "Vandaag kan Mevrouw niet krijgen, maar morgen wl," dan was goede raad duur; dan gingen Otterloo en ik gewoonlijk bij de boeren rond om spek of eijeren, zoodat wij meest nooit voor vier, vijf of zes uur ons middagmaal namen. De volgenden dag hadden wij alles in dubbele mate; dan hadden wij verscheidenheid van visch, vleesch, groenten etc. Voornamelijk hadden wij het goed als wij ons kostgeld betaalden; want, hoewel mijnheer een schoon tractement had, het was altijd een groot woord en eene ledige beurs.
  Voor het overige hadden wij er een leven van vrolijke Frans.
  Wij woonden in het schoolhuis en naast ons was de wagt in de school; de wagt bestond uit twee en twintig man. Er was een groot plein vr de deur. Onze schutters waren liefhebbers van dansen en Otterloo had dikwijls de aardigheid om buitendeur, in de maneschijn, den een of anderen dans te spelen en dan onze schutters aan het dansen dat het een lust was! Sommigen die reeds te bed (in het stroo) lagen, kwamen op het geluid van de viool af in hunne onderbroeken en de tamboers (stroppen van jongens) dansten, tot finale sluiting van het tooneel den beerendans, hetgeen onze lever dikwijls deed schudden. Dagelijks hadden wij het een of ander spel; kaatsen, snorloopen of iets dergelijks.
  Wij hadden het druk met exerceeren, in de brandende zomerzon, op de Knegselsche heide, die een uur van ons af lag.
  Z sleet ik genoegelijk mijne dagen te Wintelre. Dat bij andere officieren, vr mij aldaar gekantonneerd. In zulk een slechten reuk stond. Maar niets is aan mr verandering onderhevig dan het leven van een soldaat, vooral in oorlogs-tijd. Na alhier bijna twee maanden gekantonneerd te zijn geweest, kregen wij order om deze zalige kantonnementen met Eindhoven te verwisselen, eene verandering die met algemeene vreugde werd vernomen, behalve bij de familie Perez.
  Ook te Eindhoven had ik het echter best naar mijn zin, doch aldaar zou de vreugde maar heel kort duren.
  Op zekeren Zaterdagmiddag was er een drukte en eene beweging in de stad, dat de een den ander vroeg: "Wat is er toch gaande?" - Ik zak allerhande vreemde monteringen in de stad; den eenen courier zag ik gaan, den anderen komen en vliegen door de stad, dat de vonken uit de steenen vlogen. Ik zag verscheidene, tot nog toe niet geziene stafofficieren, met een gelaat tot elkander spreken dat iets bijzonders aanduidde. Ik zag de legerwagens van onderscheidene bataillons door de stad tijden en allen op de markt naast de onze geplaatst worden. Ik zag een lancier vliegende door de stad rijden naar den generaal; dn weer een ander. De geheele stad was vol vreemde militairen. Ik ging naar de societeit of ik dr soms de reden van al die beweging konde gewaarworden, doch niemand wist mij de eigenlijke oorzaak te zeggen. Ieder giste dat een aanstaande over- of aanval voor de deur zoude staan. Dien avond kregen wij nog geen zekeren uitslag en vol nieuwsgierigheid wat nieuws de volgende dag zoude medebrengen, moest ik mijn bed opzoeken.
  Den volgenden dag zoude onze aalmoezenier een veldpredikatie houden. Nooit ben ik met meer attentie in de kerk geweest. Alles werkt mede om een diepen indruk op onze gemoederen te maken en de aandagt te vestigen. De predikatie werd gehouden op een groot met gras bewassen plein voor een groot, oud en vervallen klooster. De preekstoel bestond uit eene daartoe vervaardigde hoogte, onder een zwaren lindeboom. De bijbel lag op opngestapelde trommen. Achter de preekstoel stroomde het riviertje De Dommel met eene snelle vaart voorbij. Vr ons lag het grijze klooster met de runes van deszelfs vervallene kerk. Rondom het plein stonden in een groot vierkant, met verdubbelde rotten, de Leijdsche studenten en onze manschappen, leunende op hunne geweren, terwijl de officieren, van den generaal tot den jongsten luitenant toe, in het midden van dit vierkant stonden. Er heerschte eene eerbiedige stilte, eene aandagt, zooals ik ze zelden in eene kerk waarnam. Onbewegelijk stonden die krijgshaftige snorbaarden daar als beelden, terwijl een overheerlijk en doodstil weder deze godsdienstverrigting in de vrije natuur begunstigde. Onze veldprediker, dominus Marcus, was eertijds Waalsch predikant in Antwerpen geweest, waaruit hij, tijdens de onlusten gevlugt was. Zelden heb ik vlugger woordenrijker en welbespraakter mensch gehoord. Ook in den dagelijkschen omgang was hij doorgaans de ziel van een gezelschap.
  Hij had tot text deze woorden: "Zijt niet onbekommerd voor den dag van morgen, want gij weet niet wat hij u baren zal."
  Zoodra ik hem dezen text hoorde voorlezen, dacht ik al aanstonds dat hij meet van ons toekomstig lot wist dan wij. Hij beval ons bijzonder aan, ons steeds voor de eeuwigheid voorbereid te houden, omdat niemand en vooral de soldaat niet, zeker was van zijn leven. Daar men nu uit zijne predikatie gemakkelijk bemerken kon wat lot ons te wagten stond kan men nagaan welk een indruk en welk eene aandagt deze preek bij de geheele vergadering te weeg bragt. Schielijk waren wij zeker van onze zaak en 's Maandags kregen wij order om den volgenden morgen zes uur op de markt gereed te staan ten einde op te marcheeren.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline