Veldtocht:
hfst. 2 - 3

omslag
namenlijst
vw en hfst. 1
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Inhoud
Start
II. DOOR DE OVERIJSSCHELSCHE MOERASSEN.

Zaterdag den 19den Februarij 1831.


  Na een goede nachtrust genoten te hebben, ontbeten wij, pakten onze goederen op de bagage-wagens, hielden appl en vertrokken, begeleid door vele Heerenveensters. Om zeven uur begaven wij ons op marsch. Het weer was zeer ongunstig; het regende geweldig en niets is lastiger voor een op marsch zijnd bataillon dan slecht en regenachtig weder; - maar wierd ons volk van buiten nat, van binnen wierd het niet zoo bevogtigd als gisteren.
  Sommigen hadden gisteren te groote vertering gemaakt, zoodat ze nu wat uitzuinigen moesten en anderen waren nog doorweekt van het vogt van den vorigen dag. Het eerste gesprek viel dadelijk hoe zij het den afgeloopen nacht hadden gehad en uit nen mond prees ieder de gulheid en gastvrijheid der Heerenveensters. De meesten hadden hunne broodzakken nog vol proviand medegekregen. Te Oudeschoot gekomen stond de 2de kompagnie, die aldaar den nacht had doorgebragt, reeds in orde op ons te wagten. Oudeschoot is een aardig dorpje en buiten hetzelve staat een fraaije, aan den heer Bienema toebehoorende buitenplaats, welke niet weinig tot versiering van het dorp bijdraagt; maar is men deze buitenplaats voorbij, dan is de pret over en ziet men aan beide kanten niets dan moeras en uitgeveend land.   Onze weg liep nu over een hoogen dijk; deze scheen althans hoog, dewijl het land zoo lag was. Mijn mantel begon mij op den duur, door den onophoudelijken regen, schrikkelijk zwaar te worden, zoodat mijne schouders zeer deden door het drukken op de epauletten. Sprakeloos wandelde de een naast den andere; haarpijn van gisteren bragt het hare er toe bij; het had veel van eene begrafenis. De eentoonigheid van den weg wierd alleen afgebroken door het nederig en armoedig dorpje Olde- en Nijeholtwolde. In dezelfde stilte wandelden wij voort tot aan Wolvega, waar wij eenige oogenblikken zouden rusten en ook het voornemen opvatteden van ons eens goed te verfrisschen.
De vaandeldrager van het bataljon Friesche schutters.
  Na een anderhalf uur gerust te hebben was het weer geheel veranderd; de lugt was helder en de zon scheen ons vriendelijk in het aangezigt. De weg buiten Wolvega was nog al eentoonig, nog al uitgeveend land.
  Toen wij even vr Willemsoord, op de grensscheiding tusschen Friesland en Overijssel kwamen, namen wij allen onze veldflesschen en dronken met een luid "Hurrah!" op het welzijn van Friesland, wenschten elkanderen toe, dat wij nog nmaal, met lauweren bekroond, even zoo gezond en vrolijk, tot ons land mogten terugkeeren als wij het nu verlieten en zoo stapten wij in Overijssel en wel te Willemsoord.
  Den volgenden dag, - ik was op een boerderij te Zuidveen ingekwartierd geweest, - passeerden wij Giethoorn. Giethoorn is een zeer uitgebreid dorp, hoewel wij er weinig van zagen, want den weg welken wij langs reden, was niet de groote weg, maar een binnenweg en wij lieten het dorp ver aan de linkerhand liggen. Naar het land te oordeelen was het een zeer armoedig dorp; zoover ons oog afzien kon zagen wij niets dan rietvelden, waterpoelen en moerassen; hier en daar stak een onaanzienlijk dag van Giethoorn het grijze hoofd boven de rietvelden uit. Een treurige eenzaamheid heerschte rondom ons. Vervolgens kwamen wij aan een uitgestrekt meer, waardoor een weg ligt, die zekerlijk schatten gekost heeft, want tegen de rechterzijde was er onlangs paal- en heiwerk gemaakt, evenals aan een zeedijk, omdat er reeds dikmaals eene verzakking of doorbraak had plaats gehad. Op het eind van dezen weg stond eene hergberg "De blauwe hand" genaamd, welke hier geheel eenzaam in de moerassen was geplaatst. O! welk een akelig land! niets ziet men dan poelen en rietvelden; geen torenspits, zoo ver ons oog af zien kon, vertoonde zich.
  Ik vroeg aan den kastelein of hij genever genoeg had, want dat eene groote visite kreeg. "O! genever zattert genoeg!" was het antwoord; maar toen hij ons bataillon zag aankomen zette hij groote oogen op. Op zulk een groot gezelschap had hij niet gerekend. De meesten moesten ook, zonder hun dorst gelescht te hebben weder vertrekken.
  Nu wandelden wij rechts af, nog steeds door dezelfde akelige landstreek, totdat wij eindelijk voor een hoogeren landrug stuitteden, waar eenige boerenplaatsen en boomgaarden stonden, wel niet van de fraaisten, maar men zag toch, dat men in een bewoond land was. De weg was allerslechtst, somtijds zakten wij tot de enkels in den modder. Zoo kwamen wij op een kruisweg, waar wij halt hielden, niet wetende welken weg wij, om te Swartsluis te komen, moesten inslaan. Een bierenjongen raadde ons links af te gaan, als zijnde den kortsten weg. Het weer werd steeds ongunstiger; tusschenbeide sneeuwde en regende het. De weg welken wij waren ingeslagen, werd langzamerhand smaller en eindigde ten laatsten in een heel smalle kade. Nu was goede raad duur; terugkeeren, of dr marcheeren, wat zouden wij doen? In den kapiteinsraad, welke belegd wierd, besloot men tot het laatste.
  Het was een aardige trein, een geheel bataillon man voor man te zien marcheeren. Het volk wierd ook al misnoegd, dewijl het geloofde verdwaald te zijn en het denkbeeld van terugkeeren, na bijna aan zijn doel gekomen te zijn, was zeker voor geblaarde voeten geen aangenaam denkbeeld. Hoe digter wij bij Swartsluit kwamen, hoe meer onze verwagting gespannen werd, wat wel het einde van dit dijkje mogt zijn. De voerlieden onzer bagage-wagens, beter met den weg bekend zijnde, hadden eenen anderen weg ingeslagen. Eindelijk liep het dijkje uit op een moerassig stukje land, zoodat wij met een paar natte voeten in Swartsluis waren.


III. IN HET GULLE GELDERLAND.

Maandag den 21sten Februarij 1831.

  Hoe ongaarne ook, mijn pligt riep mij 's morgens half zes, om mijn zagt bed te verlaten. Bij het appl mankeerden er verscheidene. Een groot gedeelte was, tegen de gegevene orders, in schepen gegaan, even als de meesten van de kompagnie, welke te Genemuiden was gedetacheerd geweest, om zich naar Zwolle te begeven. Het was wederom schoon weder; de dijk was door de vorst hard en hobbelig, hetgeen voor de doorgeloopene voeten juist niet best was. Wij kuijerden den dijk langs, aan onze rechterhand het Zwarte water hebbende.
  Omstreeks tien uur kwamen wij te Hasselt, alwaar ik nog mijn academie-vriend Tiel sprak, die daar advokaat is.
  Hasselt is een oud vlekje voorzooveel ik in het doorreizen zien kon, maar de ligging was niet onaangenaam. Aan de andere zijde trokken wij per brug het Zwarte water over en vervolgden onzen weg over den dijk, het Zwarte water thans aan onze linkerhand hebbende. In het eerst was deze dijk geweldig hobbelig, maar vervolgens werd hij zanderig hetgeen voor onze voeten veel gemakkelijker was. Deze dijk leverde weinig bijzonders op; hier en daar een boerenplaats en een schip met schutters was al wat ons op onzen weg ontmoette. Digt bij Zwolle hielden wij halt, om de door elkander verwarde kompagnin weer in orde te brengen en zoo marcheerden wij, met slaande trommen, in orde de vuile morsige voorstad door. Nooit heb ik akeliger en lelijker vrouwen gezien als in deze frikkedellebuurt.
  Vr de poort van Zwolle is een heel groot plein, ik geloof dat men het "de koemarkt" noemt, waar wij nog eens halt hielden, om onze per schip gekomen manschappen op te zamelen en te plaatsen dr waar zij behoorden te zijn. Vervolgens trokken wij Zwolle in hare geheele lengte door.
  Zwolle is, voorzoover wij in het doortrekken konden zien, eene brillante mooije stad; men vindt er schoone huizen en prachtige winkels, maar men passeert met troupes te schielijk eene stad of dorp, om over de schoonheid daarvan te oordeelen. - De stad doorgemarcheerd zijnde, ontvingen wij, in eene ellendige vuile met mesthoopen voorziene buurt, onze billetten. Wij geraakten weer zeer verstrooid. Mijn kompagnie ontving billetten te Schelle, Oldeneel en Herculo, welke drie buurten het Zwoller Kerspel uitmaken. Ik werd te Oldeneel met mijnen collega Alta ingekwartierd bij den heer Dwars. De heer Dwars was een steenbakker, hij woonde op een klein lief buitentje niet ver van den IJssel. Hij was een zeer vriendelijke man en iemand, zoo het schen, die een tamelijk vermogen bezat. Zijne vrouw was zeer gul en eene liefhebster van lagchen. Zij hadden n zoon, een eenigst kind, die alles deed wat in zijn vermogen was om ons pleizier te doen. Na lekker gegeten te hebben, deden wij eene wandeling en voeren met een bootje over den IJssel, welke rivier Overijssel van Gelderland scheidt, alwaar wij onzen voet op Veluwschen grond zetten.
  Nu via Deventer, Zutphen en Arnhem Gelderland te zijn doorgemarcheerd en in de buurt van Nijmegen een tijd lang in onze kantonnementen te hebben doorgebracht, ontvingen wij op 15 Maart van den majoor order om met de kompagnie naar Weurt te marcheeren, alwaar wij met huisvesting en voeding werden ingekwartierd.
  Weurt is een klein dorpje, een half uur van Nijmegen, aan den Waaldijk gelegen. Het land was hier vetter en men had er goede boerderijen. Ik logeerde bij den burgemeester, de heer A. Van Suchtelen. Hij was reeds een man van jaren en zijn vrouw een Duitsche. Zij hadden twee dochters, Santje en Leentje. Guller en vriendelijker menschen heb ik zelden aangetroffen. Alles wat hun mogelijk was om mij mijn verblijf aldaar aangenaam te maken, stelden zij in het werk. Ik was eenigen tijd ongesteld, maar zelden ben ik bij vreemden met meer zorg en oppassing behandeld. Behalve het exerceeren op de Sint Teunisheide, - welks herinnering nog altoos een onaangenamen indruk op mij maakt, dewijl "de oude' bij die gelegenheden zijn gal op ons uitbraakte, - heb ik hier aangename dagen doorgebragt.
  Nu eens dronken wij te Neerbosch in eene aangename herberg bij eenen bloemist een kopje thee, of hadden er een biefstukpartijtje dan eens - vooral des Zondags - wandelden wij den geheelen dag op die bergen naar Beek en Upbergen, naar de Pruisische herberg op Pruisisch grondgebied gelegen, alle welke wandelingen ik inrigtte naar het boekje "Geldersch Lusthof", volgens welk boekje ik ook het merkwaardige van Nijmegen bezag. Dikwijls werd er partij in huis gemaakt, als wanneer er eenige heeren en dames uit Nijmegen of Arnhem genoodigd werden, en in gulle Geldersche vrolijkheid werd zulk een dag altoos doorgebragt.
  Zoo wedwijverde hier elke dag in genoegens jegens den anderen, zoo werden de onaangenaamheden, die ik dikwijls met den majoor ondervond, bij mijne thuiskomst dubbel vergoed; maar daar niets op deze wereld bestendig is, zoo nam ook mijn verblijf alhier weldra een einde. Den Zaterdagavond van den 16den April, juist toen wij in gulle vrolijkheid bij elkanderen zaten, kwam Otterloo met het nieuws van den majoor, - die te Neerbosch woonde, - dat, tengevolge van een Koninklijk besluit, ons bataillon bij het leger te velde - en wel bij de 1ste brigade van de 3de divisie, onder bevel van den Luitenant-Generaal Meijer was ingelijfd en wij, tengevolge daarvan 's Maandags zouden marcheeren naar Eindhoven. Treurigheid was dadelijk op elks gelaat te lezen en de vrolijkheid nam een einde. Den laatsten dag van mijn verblijf wilde men nog genoegelijk slijten, men verzogt nog een klein partijtje, maar gedurig kwam mijn aanstaand vertrek weer op het tooneel. De schutters, die geheel met de inwoners verbroederd waren, werden ook nog door hunne gastheeren voor het laatst getracteerd, zoodat er in het geheele dorp eene geweldige vrolijkheid heerschtte. Zij hadden zich verkleed, de een als eene vrouw, de ander als een oud man; elk speelde eene bijzondere rol en zoo vertoonden ze zich ook in ons gezelschap; maar de zotste klugten waren niet in staat om de anders gewone vrolijkheid te doen herleven en toen ik op den morgen van de 18den April deze gulle familie voor hunne gastvrijheid bedankte en mij verder in hun vriendschappelijk aandenken aanbeval, ontsprong aan ieders oog een traan en ik was blijde toen ik hun huis achter den rug had.
  Wij verzamelden te Neerbosch vr het huis van den majoor, alwaar de generaal George, opperbevelhebber der vesting Nijmegen - onder wiens kommando wij tot nu toe hadden gestaan, - een aanspraak tot ons hield en van ons afscheid nam, waarna wij onder het zingen door ons volk "Zouden muitelingen trouwe Friezen dwingen", vertrokken.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline