Veldtocht:
vw - hfst. 1

omslag
namenlijst
hfst. 2 - 3
hfst. 4 - 5
hfst. 6 - 7
hfst. 8 - 9
hfst. 10 - 11
hfst. 12 - 13
hfst. 14 - 15
hfst. 16 - 17
hfst. 18 - 19
hfst. 20 - 21
hfst. 22 - 23
hfst. 24 - 25
hfst. 26 - 27


Overzicht
Begin
Voorwoord

  De hier volgende bladzijden zijn uit het dagboek van mijn grootvader, doctor in de medicijnen, die zich juist als arts in een Friesch dorp had gevestigd, toen de Belgische opstand uitbrak.
  Als kapitein bij de vijfde kompagnie van het tweede bataljon der eerste afdeeling Friesche Rustende Schutterij heeft hij mee deelgenomen aan den Tiendaagschen Veldtocht.
  Nu dit krijgsbedrijf eerdaags honderd jaar is geleden en men het eeuwfeest van België's zelfstandigheid staat te herdenken, zal een authentiek relaas van de gebeurtenissen allicht belangstelling wekken. Ook het verschil tusschen de toenmalige wijze van oorlogvoeren en de moderne krijgstechniek rechtvaardigt deze belangstelling.
  Ik heb het verhaal van mijn grootvader en naamgenoot, waarop Frans Haver Schmidt in zijn Familie en Kennissen reeds zinspeelt, onveranderd gelaten en het alleen hier en daar wat bekort. Ofschoon ik er over heb gedacht, de namen door initialen te vervangen, leek het mij bij nader inzien toch aardiger, ze voluit te laten staan, daar ze den authentieken indruk van het relaas versterken. Bovendien wordt van de dramatis personae geenerlei kwaad verteld, tenzij men met dit woord algemeen menschelijke
Dr. H.G. Cannegieter, kapitein bij de Friesche mobiele schutterij 1830-1832
hebbelijkheidjes wil kwalificeeren, welke in onbevooroordeelde oogen tamelijk onschuldig en soms zelfs nog wel eens aantrekkelijk zijn. Trouwens, mocht dit inderdaad "kwaad" wezen, dan is dit kwaad een eeuw na dato toch reeds verjaard!

  Bij het illustreeren van deze uitgave heb ik profijt mogen trekken van de belangrijke verzameling prenten in het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf te 's Gravenhage, welke directie ik gaarne mijn erkentelijkheid betuig voor haar welwillende medewerking in dezen.

Haarlem, Juli 1930 H.G. CANNEGIETER.



1. UITTOCHT UIT LEEUWARDEN.

Vrijdag den 18den Februarij 1831.

  Om half zeven uur sloeg de trommel tot het appèl. Ik vreesde voor den goeden afloop der zaak. De manschappen, die zonder verlof, voor het laatst nog eens tot hunne betrekkingen waren teruggekeerd, om afscheid te nemen, waren den vorigen avond nog niet wedergekeerd en die teruggekomen waren, hadden den nacht aan Bacchus en misschien ook aan Venus gewijd.
  Vijf man van mijne kompagnie hadden den nacht in de kazerne doorgebragt; de overigen waren dus allen absent. Toen echter de trommel den aanstaanden afmarsch aankondigde, kwamen zij bij geheelen troepen opdagen, maar, zooals ik wel gevreesd had, velen beschonken en anderen half slapende. Het duurde lang voor wij dat volkje in orde hadden geschaard; deze nam een teeder afscheid van zijn meisje, die van zijne zuster, een ander van zijne ouders. Daarenboven hadden wij de beste krijgstugt ook nog niet bij ons volk ingeprent, en door den drank bevangen, luisterde het nog minder naar ons. Ik verheugde mij toen het appèl was afgeloopen en dat ik slechts één absent had, die buiten de poort ons nog achterna kwam loopen. Eindelijk sloeg de trom "voorwaarts!" en de trein, voorafgegaan door de muzijk der stedelijke schutterij, die ons uitgeleide deed, nam den optogt aan, nadat er nog eerst liedjes aan de schutters werden rondgedeeld van Robidé van der Aa.
  Een verbazende menigte menschen begeleide ons. De straten en huizen waren opgepropt met menschen. Velen waren aangedaan. In verscheidene huizen tenminste zag ik vrouwen met doeken voor de oogen. Het tegendeel had er onder het volk plaats, alles zong en jubelde dat het een aard had. - Het was echter een treffend tooneel, zoovele menschen vrijwillig hunne betrekkingen, have en alles wat hun dierbaar was te zien verlaten, om een duistere toekomst tegemoet te gaan. - Langzamerhand werd de trein die ons volgde kleiner, totdat wij eindelijk alleen onzen weg vervolgden. - Het schoonste weder begunstigde ons.
  Op "de drie romers" gekomen hielden wij eenige oogenblikken halt en hier riepen nog eenige Leeuwarder heeren, waaronder ook mijn grietman, welke ons per as gevolgd waren, ons het laatst vaarwel toe.
  Na ons hier wat verfrischt te hebben vervolgden wij onzen marsch.
  Ons volk wierd langzamerhand nog vrolijker want de marketentsters hadden hunne vaatjes met vrolijkmakend vogt gevuld, hetwelk voor de officieren zeer lastig was, dewijl zij daardoor niet de goede orde bewaren konden, die zij zoo gaarne hadden gehouden. Het volk zong en juigte dat het een aard had.
  Nogal in eene tamelijk geregelde orde passeerden wij het dorp Irnsum en vervolgens kwamen wij aan de Oude Schouw, waar wij moesten overvaren. Dit gaf een geweldige drukte, want de schuit moest nogal eenige malen heen en weder, eer de laatste man over was en dan vielen de manschappen in zulk eene menigte in de schuit, dat het te verwonderen was dat er geene ongelukken bij plaats hadden. Het ongeluk wilde ook dat er aan den overkant eene mooije herberg stond en het is zeker een ijsselijk gezigt voor een dorstige, te zien hoe smakelijk zijne kameraden drinken en het zelve niet te kunnen doen, dat is bijna als de straf van Tantalus. Eindelijk kwamen wij, die mede van de laatsten waren, er ook over en toen was alles zoo vol dat er voor ons geen plaatsje meer was in de herberg. Wij passeerden nog het schoone dorp Akkrum en kwamen vervolgens op een hoogen dijk. De landsdouw werd hier vrij wat slechter; het was hier een moerassig waterachtig land, waarvan in geen drie jaar vrugten geplukt waren. Het hooi lag nog op het land zooals men het tengevolge van den regen, had moeten laten liggen. Het was dus zeer eentoonig en de vrolijkheid begon ook het volk te begeven. Gezang en dans waren verdwenen, ten minste het eerste en tweede was dikwijls eene gedwongene fraaijigheid van hen die te digt bij de marketentsters hadden geloopen.
  Zoo kwamen wij digt bij Heerenveen, toen ik mij verbeelde, batterijen te zien, doch bij nader inzien waren het groote turfschuren, die van verre geheel de gedaante van batterijen hadden. Het volk begon vermoeid te worden, machinaal wandelde elk voorwarts. "Ik wûd dat ik er mar wier," was het eenige dat de stilte afbrak, en lettende op den ganzentred van velen, was ik verblijd toen wij, na eenen marsch van zeven uur, 's avonds om half vijf het Heerenveen binnen kwamen. Alles wat maar eene vlag voeren kon vlagde ter onzer eere; schepen, toren, herbergen, hetgeen ons volk voor een goed voorteeken hield.
  Wij deelden onze billetten van inkwartiering uit, 't geen nog al beter ging dan ik verwagt had. Het slimste was dat ik zelve overschoot. Mijn beide luitenants Bokma en Lelia hadden zich weinig met het uitgeven bemoeid en toen ik hun miste waren zij met de officiersbilletten doorgegaan, zonder dat ik wist waarheen zij zich begeven hadden, zoodat ik zonder billet zat. Ik geraakte hierdoor niet in het beste humeur, maar de menschen in het Heerenveen waren zeer vriendelijk. Dadelijk was er een heer (zijn naam is mij onbekend) die mij tafel en bed aanbood mits ik met een anderen kapitein op hetzelfde bed wilde slapen; doch ik sliep liever alleen. Toen kwam er een regeeringslid, dat mij verzogt in de herberg mijne inkwartiering te nemen, tegelijk met mijn collega Schwartsenberg, den 2den luitenant Bokma en den adjudant-vaandeldrager Bennoist. Wij dineerden hier tamelijk goed. Na het eten gingen de heer Schwartsenberg en ik naar de societeit, waar wij thee dronken en de heer Boelens mij een lekker glas Rhijnschen wijn tracteerde. Hier vond ik verscheidene academie-kennissen, onder andere Heloma, die den vorigen dag aan het bestuur verzogt had om mij te logeeren, doch hetgeen men had vergeten.
  Daar wij vermoeid waren en den volgenden morgen weer vroeg moesten marcheeren, begaven wij ons reeds om 10 uur ter ruste.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline